Geschiedenis van de Hekserij

Alvorens ons bezig te houden met wat hekserij is, verdient het misschien aanbeveling eerst eens te kijken naar wat het was: de geschiedenis ervan. Heksen moeten weten wat hun wortels zijn, weten hoe en waarom de vervolgingen ontstonden, bijvoorbeeld, en waar en wanneer de heropleving plaatsvond. We kunnen heel veel leren van het verleden. Het klopt dat veel van de geschiedenis droge en saaie kost lijkt voor vele van ons, maar dat is zeker niet het geval met de geschiedenis van de hekserij. Die is zeer levendig en vol spanning.

Er zijn veel boeken geschreven over de geschiedenis van de hekserij. De grote meerderheid ervan staat bol van de vooroordelen – zoals verderop zal worden toegelicht – maar enkele van de recent gepubliceerde boeken vertellen het verhaal correct… of in ieder geval zo correct als we mogelijkerwijs kunnen vaststellen. Wijlen dr. Margaret Murray volgde het spoor terug en zag bronnen van hekserij in het Paleolithicum (de oude steentijd): vijfentwintigduizend jaar geleden. Zij zag het als een min of meer ononderbroken lijn tot in het heden en als een volledig georganiseerde religie in heel West-Europa gedurende eeuwen voorafgaand aan het christendom. Nog niet zo lang geleden hebben wetenschappers veel van wat Murray beweerde in twijfel getrokken. Maar zij heeft in ieder geval tastbare bewijzen en veel tot nadenken stemmend materiaal aangedragen. Als mogelijke ontwikkelingen van religieuze magie (in plaats van pure hekserij) worden haar theorieën nog altijd gerespecteerd.

Vijfentwintigduizend jaar geleden van de mens afhankelijk van de jacht om te overleven. Alleen een geslaagde jacht leverde hem voedsel om te eten, huiden voor warmte en beschutting, beenderen waarvan hij gereedschap en wapens kom maken. In die tijd geloofden de mensen in velerlei goden. De natuur was overweldigend. Uit ontzag en respect voor de huilende wind, de hevige bliksem, de ruisende rivieren, schreven de mensen aan al die dingen een geest toe, maakten ze elk ervan tot een godheid… een God. Dat is wat wij animisme noemen. Een God beheerste de wind. Een God beheerste de hemel. Een God beheerste de wateren. Maar in de eerste plaats heerste een God over de hoogst belangrijke jacht… een God van de Jacht.

De meeste dieren waarop werd gejaagd, waren gehoornd, dus werd de God van de Jacht afgebeeld als een gehoornd wezen. Het was in die tijd dat de magie vermengd raakte met die onzekere stappen van religie. De vroegste vorm van magie was waarschijnlijk de sympathetische variant. Gelijksoortige dingen, zo dacht men, hebben gelijksoortige effecten: gelijke dingen trekken elkaar aan (soort zoekt soort). Als er een levensgroot kleimodel van een bizon werd gemaakt dat vervolgens werd aangevallen en ‘gedood’, dan zou een jacht op de echte bizon eveneens eindigen in het doden ervan. Het religieus magische ritueel werd geboren toen een van de holbewoners een huid om zijn schouders gooide en een masker met een gewei opzette en zo de rol van de God van de Jacht speelde, die de aanval leidde. Er bestaan nog grotschilderingen van dergelijke rituelen, naast de met speren doorboorde kleimodellen van bizons en beren.

Het is belangwekkend te zien hoe deze vorm van sympathetische magie tot voor betrekkelijk korte tijd is blijven bestaan. De Penobscot-indianen bijvoorbeeld, droegen minder dan honderd jaar geleden maskers en geweien van herten bij het uitvoeren van rituelen voor hetzelfde doel. De buffeldans van de Mandan-indianen is een ander voorbeeld.

Naast de God van de Jacht was er een Godin, maar wie er eerst was (of dat ze tegelijkertijd ontstonden) weten we niet en is irrelevant. Als er dieren waren om op te jagen, dan moest er ook de vruchtbaarheid van die dieren zijn. Als de stam moest voortbestaan (en het sterftecijfer was hoog in die tijd), dan moest er ook vruchtbaarheid van de mens zijn. Ook hierbij speelde sympathetische magie een rol. Er werden kleimodellen gemaakt van parende dieren, en in een begeleidend ritueel copuleerden de leden van de stam.

De meeste dieren waarop werd gejaagd, waren gehoornd, dus werd de God van de Jacht afgebeeld als een gehoornd wezen. Het was in die tijd dat de magie vermengd raakte met die onzekere stappen van religie. De vroegste vorm van magie was waarschijnlijk de sympathetische variant. Gelijksoortige dingen, zo dacht men, hebben gelijksoortige effecten: gelijke dingen trekken elkaar aan (soort zoekt soort). Als er een levensgroot kleimodel van een bizon werd gemaakt dat vervolgens werd aangevallen en ‘gedood’, dan zou een jacht op de echte bizon eveneens eindigen in het doden ervan. Het religieus magische ritueel werd geboren toen een van de holbewoners een huid om zijn schouders gooide en een masker met een gewei opzette en zo de rol van de God van de Jacht speelde, die de aanval leidde. Er bestaan nog grotschilderingen van dergelijke rituelen, naast de met speren doorboorde kleimodellen van bizons en beren.

Het is belangwekkend te zien hoe deze vorm van sympathetische magie tot voor betrekkelijk korte tijd is blijven bestaan. De Penobscot-indianen bijvoorbeeld, droegen minder dan honderd jaar geleden maskers en geweien van herten bij het uitvoeren van rituelen voor hetzelfde doel. De buffeldans van de Mandan-indianen is een ander voorbeeld.

Naast de God van de Jacht was er een Godin, maar wie er eerst was (of dat ze tegelijkertijd ontstonden) weten we niet en is irrelevant. Als er dieren waren om op te jagen, dan moest er ook de vruchtbaarheid van die dieren zijn. Als de stam moest voortbestaan (en het sterftecijfer was hoog in die tijd), dan moest er ook vruchtbaarheid van de mens zijn. Ook hierbij speelde sympathetische magie een rol. Er werden kleimodellen gemaakt van parende dieren, en in een begeleidend ritueel copuleerden de leden van de stam.

Er bestaan nog veel uit hout gesneden en uit klei gevormde figuren van de vruchtbaarheidsgodin. Ze zijn algemeen bekend als Venusbeeldjes, en de Venus van Willendorf is een van de bekendste ervan. Andere voorbeelden zijn onder meer de Venus van Laussel en de Venus van Sireuil en die van Lespugne. Ze hebben allemaal met elkaar gemeen dat de vrouwelijke attributen ervan sterk overdreven zijn. Ze hebben zware, hangende borsten, dikke billen en vaak een opgezwollen buik – alsof ze zwanger zijn – en overdreven genitaliën. Er is zonder uitzondering een totaal gebrek aan identiteit in de rest van het lichaam. Het gezicht is niet uitgewerkt en de armen en benen, als die er al zijn, worden nauwelijks aangeduid. De reden is dat de mens uitsluitend bezighield met het vruchtbaarheidsaspect. De vrouw was de draagster en voedster van de jongen. De Godin was haar voorbeeld als de Grote Voedster en Troosteres: Moeder Natuur of Moeder Aarde.

Met de ontwikkeling van de landbouw kwam er een verdere verheffing van de Godin. Zij waakte nu over de vruchtbaarheid van de oogst evenals die van de stam en de dieren. Het jaar werd in die tijd door de natuur in twee helften verdeeld. In de zomer kon er voedsel worden gekweekt en overheerste zodoende de Godin; in de winter moest de mens overgaan op de jacht en dus overheerste dan de God. De andere Godheden (van de wind, de donder, de bliksem enzovoort) raakten langzamerhand op de achtergrond en waren nu van secundair belang.

Met de ontwikkeling van de mens ontwikkelde zich ook de religie: want dat was het geworden, langzaam en op natuurlijke wijze. De mens verspreidde zich over Europa en nam de Goden met zich mee. Toen er verschillende landen ontstonden, kregen de God en Godin ook verschillende namen (hoewel niet altijd totaal verschillend; soms waren het eenvoudige variaties op dezelfde naam), maar in wezen waren ze dezelfde Godheden. Dit wordt duidelijk geïllustreerd in Brittannïe, waar men in het zuiden van Engeland Cernunnos aantreft (letterlijk: de Gehoornde). In het noorden is dezelfde God bekend als Cerne, een verkorte vorm. En in weer een ander gebied werd de naam Herne.

De volgende stap
Tegen deze tijd had de mens niet alleen geleerd voedsel te kweken, maar ook op te slaan voor de winter. Hierdoor werd de jacht minder belangrijk. De Gehoornde God werd nu meer beschouwd als een God van de Natuur in het algemeen, en een God van de Dood en wat daarna komt. De Godin stond nog steeds voor vruchtbaarheid en ook voor wedergeboorte, want de mens had een geloof ontwikkeld in een leven na de dood. Dit wordt aangetoond door de begrafenisgebruiken uit die tijd. De mensen van la Gravette (22.000 – 18.000 v.o.j.) waren op dit gebied vernieuwers. Zij begroeven hun doden volledig gekleed en met al hun versierselen en besprenkelden ze met rode oker (hematiet of ijzeroxide), om hun het uiterlijk van een levende terug te geven. Vaak werden familieleden onder de haard begraven opdat ze dicht bij de familie bleven. Een man werd begraven met zijn wapens; misschien zelfs met zijn hond: kortom met alles wat hij nodig zou kunnen hebben in het hiernamaals. Het is niet moeilijk om vast te stellen hoe een geloof in een leven na de dood ontstond. Dromen lagen eraan ten grondslag. Hierover een citaat uit mijn boek Witchcraft From the Inside:

Als de man sliep, was hij, voor zijn familie en vrienden, als een van de doden. In zijn slaap bewoog en ademde hij weliswaar, maar verder was hij levenloos. Maar bij zijn ontwaken kon hij vertellen dat hij in het bos op jacht was geweest. Hij kon vertellen over ontmoetingen en gesprekken met vrienden die in werkelijkheid dood waren. De anderen, tot wie hij sprak, konden hem geloven omdat zij ook dergelijke dromen hadden gehad. Zij wisten dat hij in feite geen voet buiten de grot had gezet, maar tegelijkertijd wisten zij dat hij niet loog. Het leek of de wereld van de slaap als de materiële wereld was. Er waren bomen en bergen, dieren en mensen. Zelfs de doden waren er, kennelijk vele jaren na hun dood nog onveranderd. Dus had de mens in die andere wereld dezelfde dingen nodig als in deze wereld.

Met de ontwikkeling van verschillende rituelen – voor vruchtbaarheid, voor succes bij de jacht, voor de behoeften die hoorden bij de jaargetijden – ontwikkelde zich noodzakelijkerwijs een priesterschap: een kleine groep uitverkorenen die beter in staat waren voor resultaten te zorgen als ze de rituelen leidden. In sommige gebieden van Europa (hoewel waarschijnlijk niet zo wijs verbreid als Murray veronderstelde) werden deze rituele voorgangers, of priesters en priesteressen, bekend als de Wijze. Tegen de tijd dat de Angelsaksische koningen heersten in Engeland, zou de koning het niet in zijn hoofd halen in zaken van belang te handelen zonder de Wijze te raadplegen: de Raad van Wijzen. En die Wijzemoesten inderdaad wijs zijn. Zij leiden niet alleen de religieuze riten, maar bezaten ook de kennis van de kruidenleer, magie en divinatie; zij moesten zowel dokte, rechter, magiër als priester zijn. Voor de mensen waren de Wijze gevolmachtigden tussen hen en de Goden. Maar tijdens de grote festiviteiten werden ze zelf bijna gelijk aan Goden.

Met de opkomst van het christendom was er niet die onmiddellijke massabekering die zo vaak wordt verkondigd. Het christendom was een door mensen gemaakte Religie. Het had zich niet langzamerhand en op natuurlijke wijze ontwikkeld in de loop van duizenden jaren, zoals dat het  geval was met de Oude Religie. Hele landen werden als christelijk aangemerkt terwijl in feite alleen de heersers de nieuwe religie hadden aangenomen, en dat vaak ook niet meer dan oppervlakkig. In het algemeen bleef in heel Europa de Oude Religie in haar vele en gevarieerde vormen gedurende de eerste duizend jaar van het christendom prominent aanwezig.

Een poging tot massabekering werd gedaan door paus Gregorius de Grote. Hij dacht dat een van de mogelijkheden om de mensen naar de nieuwe christelijke kerk te krijgen, was deze te bouwen op de plek van de oude tempels, waar mensen gewend waren om in gebed bijeen te komen. Hij gaf zijn bisschoppen de opdracht alle ‘afgodsbeelden’ te vernietigen en de tempels te besprenkelen met wijwater en ze opnieuw te wijden. Voor een groot deel had Gregorius hierbij succes. Maar de mensen waren niet zo onnozel als hij dacht. Toen de eerste christenkerken werden gebouwd, waren de enige ambachtlieden die ze konden bouwen onder de heidenen zelf te vinden. Bij de versiering van de kerken voegden deze steenhouwers en houtbewerkers heel slim figuren van hun eigen Godheden ertussen. Op deze manier konden de mensen, ook al werden ze gedwongen de kerken te bezoeken, nog altijd hun eigen Goden vereren.

Er bestaan ook nu nog veel van deze figuren. De Godin wordt meestal afgebeeld als een vruchtbaarheidsgodheid, met wijd gespreide benen en sterk vergrote genitaliën. Dergelijke figuren zijn gewoonlijk bekend onder de naam Sheila-na-gigs. De God wordt afgebeeld als een gehoornde hoofd, omgeven door gebladerte: bekend als loofwerkmasker en soms ook wel De Groene Man genoemd. Deze afbeeldingen van de Oude God moeten echter niet worden verward met gargouilles, de gezichten en figuren die op de vier hoeken van kerktorens zijn aangebracht om demonen af te schrikken.

Het ontstaan van de heksenvervolging
In die eerste tijd waarin het christendom langzaam in kracht toenam, vormde de Oude Religie – de Wicca, Hekserij en andere heidenen – een van zijn rivalen. Het is niet meer dan natuurlijk om zich van rivalen te ontdoen, en de kerk hield zich daar niet bij in. Je hoort vaak zeggen dat de Goden van een oud geloof de duivels van een nieuw geloof worden. Dit was hier heel duidelijk het geval. De God van de Oude Religie was een gehoornde God. En hoorns droeg ook de duivel van de christenen. Dus, zo redeneerde de Kerk, waren de heidenen duivelaanbidders! Dit soort redenering wordt ook nu nog wel door de Kerk gebruikt. Missionarissen waren maar al te graag bereid alle primitieve stammen die ze tegenkwamen te bestempelen als duivelaanbidders, alleen al omdat de stam andere Goden vereerde dan de God van de christenen. Het deed er niet toe of mensen goed, gelukkig en vaak in moreel en ethisch opzicht beter leefden dan de grote meerderheid van de christenen… ze moesten en zouden bekeerd worden!

De beschuldiging van duivelaanbidding die zo vaak tegen heksen werd gebruikt, is belachelijk. De duivel is een puur christelijk bedenksel; vóór het Nieuwe Testament is er nergens sprake van de duivel als zodanig. Het is van belang om op te merken dat de hele opvatting van kwaad geassocieerd met de duivel te wijten is aan een vertaalfout. Het oorspronkelijke Hebreeuwse ha-satan uit het Oude Testament en het Griekse diabolos uit het Nieuwe Testament betekent gewoon ‘opponent’ of ‘tegenstander’. We moeten hierbij bedenken dat het idee om de Hoogste Macht in tweeën te delen – goed en kwaad – het idee is van een hoogontwikkelde en complexe beschaving. De Oude Goden waren door hun geleidelijke ontwikkeling heel ‘menselijk’ in die zin dat ze hun goede en slechte kanten hadden. Het was het idee van een algoede Godheid die uitsluitend liefde was dat een antagonist noodzakelijk maakte. Om het simpel uit te drukken: je kunt alleen de kleur wit hebben als er een tegengestelde kleur zwart is, waarmee je wit kunt vergelijken. Deze opvatting van een algoede God werd ontwikkeld door Zoroaster (Zarathustra) in Perzië, in de 7de eeuw v.o.j. Het idee verspreidde zich later in westelijke richting en werd opgenomen in het mithraïsme en ten slotte in het christendom.

Terwijl het christendom langzaam aan kracht won, werd de Oude Religie teruggedrongen. Ongeveer tot de tijd van de Reformatie bestond de Oude Religie nog in afgelegen gebieden op het platteland. Niet-christenen kregen in die tijd de benamingen paganisten en heidenen. Paganisten komt van het Latijnse pagani en betekent gewoon ‘mensen die op het land leven’. Het woord heiden betekent ‘iemand die op de heide verblijft’. Dus die woorden waren in die tijd toepasselijk voor niet-christenen, maar hielden geen verwijzing naar kwaad in, en het huidige gebruik ervan in geringschattende zin is totaal onjuist.

Met het verstrijken van de eeuwen ging de hetze tegen niet-christenen door. Wat de aanhangers van de Hekserij deden, werd verdraaid en tegen hen gebruikt. Zij gebruikten magie om vruchtbaarheid te bevorderen en oogst te doen toenemen; de Kerk beweerde dat zij vrouwen en vee onvruchtbaar maakten en de oogst verwoestten! Niemand kwam kennelijk op het idee dat als de heksen werkelijk datgene deden waar ze van beschuldigd werden, ze er zelf in gelijke mate onder zouden lijden. Tenslotte moesten ook zij eten om te leven. Een van de oude rituelen voor vruchtbaarheid was voor de dorpelingen naar de velden gaan in het licht van de volle Maan om rond het veld te dansen met hooivorken, stokken en bezemstelen tussen hun benen, die ze bereden als stokpaardjes. Ze sprongen dan hoog in de lucht onder het dansen om aan te geven hoe hoog het graan moest groeien: een heel onschuldige vorm van sympathetische magie. Maar de Kerk beweerde niet alleen dat ze de oogst tegenwerkten, maar dat ze echt door de lucht vlogen op hun stokken… dat moest wel het werk van de duivel zijn!

In 1484 stelde paus Innocentius VIII zijn bul tegen heksen op. Twee jaar later stelden twee infame Duitse monniken, Heinrich Institoris Kramer en Jakob Sprenger hun ongelooflijke hersenspinsel van anti-hekserij op: de Malleus Maleficarum (de Heksenhamer). In dit boek werden vastomlijnde instructies gegeven voor de vervolging van heksen. Maar toen het boek ter beoordeling werd voorgelegd aan de theologische faculteit van de universiteit van Keulen, die destijds de censuur verzorgde, wilde de meerderheid van de professoren er niets mee te maken hebben. Kramer en Sprenger lieten zich hierdoor niet uit het veld slaan en deden door vervalsing voorkomen dat de hele faculteit hun geschrift officieel had goedgekeurd; een bedrog dat pas in 1898 werd ontdekt.

De door Kramer en Sprenger aangewakkerde hysterie begon zich te verspreiden. Het verspreidde zich als een vuur – plotseling opvlammend op onverwachte plaatsen en al spoedig had het zich over heel Europa verbreid. Gedurende meer dan driehonderd jaar raasden de vuren van de vervolgingen. De mensheid was waanzinnig geworden. De inwoners van hele dorpen waarvan het vermoeden bestond dat er een of twee heksen woonden, werden ter dood gebracht met de kreet: ‘Dood hen allen… de Heer zal de zijnen herkennen!’ In 1586 besloot de aartsbisschop van Treves dat de plaatselijke heksen de recente strenge winter hadden veroorzaakt. Met behulp van aanhoudende martelingen werd een ‘bekentenis’ verkregen, waarna 120 mannen en vrouwen de dood op de brandstapel vonden op grond van zijn beschuldiging dat ze de elementen hadden beïnvloed.

Omdat vruchtbaarheid van groot belang was – zowel van de gewassen als van het vee – werden bepaalde seksuele riten opgevoerd door de heksen, als volgelingen van de natuurreligie. Aan deze seksuele riten lijken de christelijke rechters buitensporig veel belang te hebben gehecht. Ze leken zich met vreugde te verdiepen in de kleinste details ervan. De riten van de hekserij waren in wezen vreugdevol. Het was een zeer opgewekte religie en als zodanig op velerlei wijzen totaal onbegrijpelijk voor de sombere inquisiteurs en hervormers die haar wilden onderdrukken.

Ruw geschat komt het totale aantal mensen dat is verbrand, opgehangen of doodgemarteld op beschuldiging van hekserij op negen miljoen. Het ligt voor de hand dat dit niet allemaal volgelingen van de Oude religie waren. Het was ook een prachtige gelegenheid om je te ontdoen van mensen tegen wie je wrok koesterde! Want als je een heks aangaf, kreeg je als beloning de helft van de heks zijn bezittingen. En de armoede speelde steeds een belangrijke rol. 

Een uitstekend voorbeeld van hoe de hysterie zich ontwikkelde en verbreidde, zien we in het geval van de zogenaamde Heksen van Salem, Massachusetts. Het is twijfelachtig of de slachtoffers die daar werden opgehangen*, werkelijk volgelingen van de Oude Religie waren. Het is mogelijk dat Bridget Bishop en Sarah Good heksen waren, maar de anderen waren bijna allen steunpilaren van de plaatselijke kerk tot aan het moment dat de hysterische kinderen hen schreeuwend beschuldigden.

Maar hoe zit het dat met satanisme? De heksen werden aanbidders van de duivel genoemd. Bevatte dit enige waarheid? Nee. Maar zoals bij veel beschuldigingen bestonden er redenen voor dit geloof. De vroege Kerk was extreem hard voor haar mensen. Zij regelde niet alleen de manier van verering van de agrarische bevolking, maar ook de manier waarop deze leefde en liefhad. Zelfs geslachtsgemeenschap tussen twee echtgenoten werd afgekeurd. Men mocht niet genieten van de geslachtsdaad; deze werd alleen goedgekeurd voor de voortplanting. Geslachtgemeenschap was verboden op woensdag, vrijdag en zondag, gedurende veertig dagen voor Kerstmis en Pasen, gedurende drie dagen voor de communie van vanaf het tijdstip van de conceptie tot veertig dagen na de baring. Met andere woorden, je mocht in totaal ongeveer twee maanden per jaar seks hebben met je echtgenoot… maar uiteraard zonder ervan te genieten!

Geen wonder dat dit, tezamen met andere hardvochtige voorschriften, leidde tot rebellie – al was dat dan in het geheim – die vonden dat hun lot niet werd verbeterd door te bidden tot de zogeheten God van de Liefde, besloten in plaats daarvan tot de tegenstelling daarvan te bidden. Als God hen niet wilde helpen, deed de duivel dat misschien wel. Zo ontstond het satanisme: een parodie op het christendom, een bespotting ervan. Het was een revolte tegen de wreedheid van de Kerk. Ook de ‘duivel’ bleek de arme boer echter niet te helpen. Maar hij toonde in ieder geval zijn verachting van de autoriteiten; hij ging tegen de gevestigde orde in.

Het duurde niet lang voordat de Moederkerk achter deze rebellie kwam. Satanisme was anti-christelijk. Hekserij was – in hun ogen – eveneens anti-christelijk. Dus hekserij en satanisme een en hetzelfde.

Een nieuw tijdperk
In 1604 vaardigde koning Jacobus I zijn wet op de hekserij uit, maar deze werd in 1736 afgeschaft. Hij werd vervangen door een wet die stelde dat er niet zoiets als hekserij bestond, en dat iemand die pretendeerde over occulte vermogens te beschikken vervolgd kon worden wegens oplichting. Tegen het eind van de zeventiende eeuw waren de overlevende leden van de hekserij ondergronds gegaan. Gedurende de volgende driehonderd jaar leek de hekserij van de aardbodem te zijn verdwenen. Maar een religie die twintigduizend jaar had bestaan, hield uiteraard niet zo eenvoudig op te bestaan. In kleine groepen – covens die in stand waren gehouden, vaak alleen bestaande uit familieleden – bleef de hekserij bestaan.

Op literair gebied vierde het christendom hoogtij. De drukkunst was uitgevonden en ontwikkeld tijdens de vervolgingen, en dus was alles wat over hekserij werd gepubliceerd, geschreven vanuit het standpunt van de Kerk. In latere tijden hadden boeken alleen deze eerste werken om aan te refereren, dus was het niet vreemd dat ze bol stonden van vooroordelen tegen de Oude Religie. In feite hield die algemene bevooroordeeldheid aan tot 1921, toen dr. Margaret Alice Murray The Witch Cult in Western Europe publiceerde. Bij het bestuderen van verslagen over rechtszaken uit de middeleeuwen vond Murray (een eminent antropologe en destijds professor in de egyptologie aan London University) aanwijzingen die erop leken te duiden dat er een duidelijk omlijnde, georganiseerde voorchristelijke religie bleek te bestaan achter al die ‘lariekoek’ van de christelijke beschuldigingen. Hoewel haar theorieën op sommige gebieden uiteindelijk iets te vergezocht bleken, bevatten ze wel degelijk een kern van waarheid. Hekserij was zeker niet zo wijdverbreid als Murray veronderstelde (en er was evenmin enig bewijs van een rechtstreeks, ononderbroken van afstamming van de holbewoners), maar het lijdt geen twijfel dat hekserij bestond als een religieuze cultus, zij zette het verspreid wat plaats en tijd betreft. Ze zette haar opvattingen in 1931 verder uiteen in een tweede boek, The God of the Witches.

In Engeland werden in 1951 de laatste wetten tegen hekserij eindelijk afgeschaft. Dit maakte voor de heksen zelf de weg vrij om van zich te doen horen. In 1954 stelde dr. Gerald Brousseau Gardner in zijn boek Witchcraft Today: “Wat Margaret Murray heeft aangevoerd, is waar. Hekserij wás een religie, en ze is dat in feite nog altijd. Ik weet het, want ik ben zelf een heks.”

Hij beschreef verder hoezeer de Hekserij nog altijd leefde, ook al was dat ondergronds. Hij was de eerste die het verhaal belichte van de kant van de heksen. In de tijd dat hij aan zijn boek schreef, had hij het gevoel dat de hekserij snel aan het verdwijnen was en misschien nog aan een enkel dun draadje hing. Groot was zijn verrassing toen hij, als gevolg van de verspreiding van zijn boeken, hoorde van het bestaan van veel covens in heel Europa, die allemaal nog met vreugde hun geloof beoefenden. Maar deze nog bestaande covens hadden hun les geleerd. Ze wilden niet het risico in de openbaarheid te treden. Wie zei dat de vervolgingen niet opnieuw konden beginnen?

Een tijdlang was de stem van Gerald Gardner de enige die namens de hekserij sprak. Hij beweerde dat hij was ingewijd in een engelse coven, in de buurt van Christchurch, kort voor het begin van de Tweede Wereldoorlog. Hij was enthousiast over wat hij had ontdekt; hij had zijn hele leven de religieuze magie bestudeerd en nu maakte hij er deel uit. In zijn enthousiasme wilde hij dat iedereen kenbaar maken. Maar dat werd hem niet toegestaan. Eindelijk echter mocht hij, na veel smeekbeden, een aantal van de ware geloofsopvattingen en praktijken van de hekserij in de openbaarheid brengen door ze te weven in een roman, High Magic’s Aid, verschenen in 1949. het duurde nog vijf jaar voordat hij de coven ervan kon overtuigen om de ware feiten te onthullen. Als aanvulling op Witchcraft Today verscheen in 1959 zijn derde boek, getiteld The Meaning of Witchcraft.

Door zijn levenslange studie van religie en magie kreeg Gardner het gevoel dat wat hij aantrof als overblijfselen van de hekserij onvolledig was en soms ook onjuist. Gedurende millennia was de Oude Religie een zuiver mondelinge traditie geweest. Tot aan de vervolgingen, met het uiteenvallen van covens en het daaruit voortvloeiende verlies van onderlinge communicatie, was er nooit iets op schrift gesteld. In die tijd, toen de heksen elkaar in het geheim moesten ontmoeten, werden de rituelen uiteindelijk opgeschreven in wat bekend werd als het Boek der Schaduwen. Dat boek werd in de loop der jaren steeds weer gekopieerd als het van de ene leider van een coven op een andere overging. Het sprak vanzelf dat hierbij fouten in de tekst zouden sluipen. Gardner nam rituelen van de coven waartoe hij behoorde – een voornamelijk Engels/Keltische groep – en herschreef ze zoals ze volgens hem hadden moeten zijn. Deze vorm werd vervolgens bekend als de Gardneriaanse hekserij. In de loop de jaren zijn er vele wilde en prachtige theorieën ontstaan, vanaf “Gardner heeft alles uit zijn duim gezogen” tot en met “Hij heeft Aleister Crowley opgedragen het Boek der Schaduwen voor hem te schrijven.” Dergelijke beschuldigingen zijn nauwelijks de moeite van een reactie waard, maar bijzonderheden van Gardners voorbereidende werk vindt men in de boeken van Stewart Farrar: What Witches Do en Eight Sabbats for Witches.

Maar hoe men ook mag denken over Gardner, hoe men ook mag denken over de oorsprong van hekserij, alle hedendaagse heksen en mensen die heks willen worden, zijn hem heel veel dank verschuldigd omdat hij de moed had op te staan en vrijuit te spreken voor de hekserij. Wij hebben het aan hem te danken dat wij ons tegenwoordig kunnen verheugen in de hekserij in haar vele vormen.

Ja, de hekserij heeft een plaats in de geschiedenis van het verleden en zal die vast en zeker ook in de toekomst hebben…