Malleus Malefircarum

In 1468 verklaarde de katholieke kerk dat hekserij een 'buitengewone misdaad' was. Daardoor konden tijdens een rechtszaak alle regels die normaal golden opzij worden gezet. Dat betekende bijvoorbeeld dat alleen het bewijs dat iemand schuldig maakte kon worden toegelaten. Pijnigen of martelen om bekentenissen af te dwingen was niet alleen toegestaan, maar werd zelfs aangemoedigd.

In 1486 brachten twee monniken, Heinrich Kramer en Jacob Sprenger, een boek tegen heksen uit. Het heette 'Malleus maleficarum' ofwel 'Heksenhamer'. Het was het eerste grote, gedrukte boek over 'demonologie' (= de wetenschap die zich bezig houdt met het opsporen van de werken van de duivel). Het werd een heel berucht boek. In de 'Heksenhamer' stond precies beschreven wat heksen waren, wat ze deden en waaraan je ze kon herkennen. Ook werd er verteld hoe je ze tot bekentenissen kon dwingen.

Het leek er veel op alsof de schrijvers een geweldige hekel hadden aan vrouwen. Ze stelden dat de vrouw minder slim was dan de man. In de Bijbel stond dat de vrouw gemaakt was van een rib van de man. De vrouw was al verleid door de slang in het Paradijs. Ze was goedgeloviger. Daarom was ze ook veel sneller tot hekserij te verleiden dan de man. Bovendien was de man minder geneigd tot hekserij omdat Jezus een man was geweest. Elke vrouw was in wezen verdacht. Het maakte niet uit of ze vaak naar de kerk ging of niet. Zelfs nonnen waren verdacht, omdat de duivel er speciaal op uit was om vooral godsdienstige vrouwen te verleiden. De duivel verwekte ook kinderen bij de heks. Het kind van een heks is dus 'duivelsgebroed'. Zelfs het kleinste meisje heeft dan een duivel als minnaar. Ze is dus ook heks en moet dus ook verbrand worden.

"Zonder vrouwen," zo schreven zij, "zou de wereld heel wat gevaren minder tellen. Hoe groot is dan tegenwoordig het gevaar nu velen van hen heksen zijn."

Ze stelden een lijst op van wat heksen konden:

  • ze stuurden hagel, storm en onweer.
  • ze maakten mensen en dieren onvruchtbaar.
  • ze gaven kinderen die ze ontvoerden aan de duivel, of ze doodden hen.
  • ze gooiden kinderen die bij hun ouders vandaan liepen ongezien in het water.
  • ze maakten bereden paarden schichtig.
  • ze kunnen zich door de lucht van de ene naar de andere plaats bewegen.
  • ze kunnen de rechters betoveren zodat die hen niet bestraffen.
  • ze kunnen zichzelf laten zwijgen tijdens martelingen.
  • ze kunnen hand en hart van degene die hen gevangen wil nemen laten beven.
  • ze maken openbaar wat voor anderen verborgen is.
  • ze voorspellen, met de hulp van de duivel, de toekomst.
  • ze kunnen dingen zien die verderop gebeuren.
  • ze kunnen iemand verliefd doen worden.
  • ze kunnen naar wens bepaalde mensen en dieren door de bliksem doden.
  • ze kunnen miskramen veroorzaken.
  • ze kunnen mensen en dieren kwaad doen zonder ze aan te raken.
  • ze geven hun eigen kinderen ook aan de duivel.
  • De schrijvers beschreven aan de hand van verklaringen van vrouwen die beweerden er geweest te zijn over bijeenkomsten van heksen met de duivel.

    Als er een nieuwe heks bij komt moet zij op een afgesproken dag en plaats samen komen met andere heksen. Daar komt dan ook de duivel. Die verschijnt daar in de gedaante van een man. Hij belooft hen een langer leven en geluk. De nieuwe heks moet dan het christelijke geloof afzweren. Daarnaast moet zij de duivel gehoorzaamheid beloven. Als bewijs moet ze een zalf maken uit de beenderen en armen en benen van kinderen.

    'Ze zenden hagel, boze stormen en onweer. Zij veroorzaken onvruchtbaarheid bij dieren en mensen. Zij bieden ook kinderen bij de duivel aan. Ze vliegen van plaats naar plaats. Ze betoveren de geest van de rechters. Ze bewerken mensen die op de pijnbank worden gefolterd en toch blijven zwijgen. Ze horen van de duivel van alles over de toekomst. Ze zorgen ervoor dat vrouwen zieke kinderen krijgen. Ze veranderen de harten van mensen van liefde en haat. Ze veranderen mensen in dierengestalten. Ze doden pasgeboren kinderen en offeren hen aan de duivel. Ze stelen kinderlijkjes uit de graven en koken ze dan in een ketel; daarvan maken zij zalven om hun toverkunsten en hun luchtreizen mogelijk te maken.'

    Heksenvervolgers van latere tijden geloofden niet alles wat er in dat verschrikkelijke boek stond. Maar wel hielden ze vast aan het idee dat in de eerste plaats vrouwen schuldig waren. En allemaal volgden ze de gruwelijke voorschriften op, die in de 'Heksenhamer' stonden. In de praktijk betekende het dat alleen al een beschuldiging van hekserij betekende dat iemand op de brandstapel zou komen.

    Hier volgt een stuk uit het boek van Raymond Buckland  - Hekserij zonder geheimen, over de Malleus Maleficarum:

    De Malleus Maleficarum bestaat uit drie delen, waarvan het eerste handelt over 'de drie noodzakelijke bijverschijnselen van hekserij: de duivel, een heks en de toestemming van God Almachtig.' Hier wordt de lezer eerst aangemaand dat níet in hekserij geloven ketterij is. Vervolgens komt aan de orde of kinderen kunnen worden voortgebracht door incubi en succubi; de paring van de heks met de duivel, of heksen de geest van mensen kunnen doen omslaan naar liefde of haat, of heksen door toverkunst de illusie konden wekken dat het geslachtsorgaan van de man geheel van het lichaam verwijderd lijkt, verscheidene manieren waarop de heksen kinderen in de moederschoot kunnen doden enzovoort, enzovoort.

    Het tweede deel, 'Beschouwing van de methoden waarmee daden van hekserij worden gewrocht en gestuurd, en hoe ze met succes kunnen worden tenietgedaan,’ handelt over ‘de verschillende methoden waarmee duivels door middel van heksen de onschuldigen kunnen lokken en verleiden ter vermeerdering van dit afschuwelijke gezelschap, de wijze waarop een formeel pact met het kwaad wordt aangegaan, hoe heksen als voedvrouw afschuwelijke misdaden begaan wanneer zij kinderen doden of hen op de meest  vervloekte wijze offeren aan duivels, hoe heksen het vee verwonden, hagelbuien en stormen opwekken en aanwakkeren en bliksem veroorzaken om zowel mens las dier te vernietigen’. Dan volgen remedies tegen het voorgaande.

    Het derde deel van het boek, ‘Over de gerechtelijke handelingen bij zowel de kerkelijke als de civiele rechtbanken tegen heksen en alle andere ketters’, is misschien wel het belangrijkste deel. Hierin wordt de gang van zaken bij een rechtszaak behandeld. ‘Wie zijn de geschikte rechters voor de berechting van heksen?’ is de eerste vraag. Het vervolgt met ‘De methode om een proces in gang te zetten, de dringende aanmaning en herondervraging van getuigen, of aartsvijanden mogen worden toegelaten als getuigen’. Hierop volgt de mededeling dat ‘het getuigenis van mensen met een slechte reputatie en misdadigers, en van dienaren tegen hun meesters, is toegestaan… er dient op worden toegezien dat een getuige niet ongeschikt wordt verklaard vanwege elke vorm van vijandigheid’. We stellen vast dat in het geval van hekserij nagenoeg iedereen mag getuigen waar dat in andere gevallen niet zou worden toegelaten. Zelfs de getuigenverklaring van kleine kinderen werd toegestaan.

    Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de samenstellers van de Malleus Maleficarum bezeten waren door bepaalde dwanggedachten. Een groot aantal hoofdstukken handelt bijvoorbeeld over seksuele aspecten van hekserij… wie de auteurs van dit verfoeilijke werk waren? Twee dominicanen, genaamd Jakob Sprenger en Heinrich Kramer.

    De Malleus Maleficarum is nog steeds verkrijgbaar, wordt uitgegeven door Dover Publications (ISBN 0-486-22802-9) en is recentelijk vertaald door Ivo Gay (Voltaire).